MAVO / GL / TL

 

Hieronder staat alle informatie die je kunt gebruiken om tot een geweldig NaSk examen te komen!

 

Datum Centraal Examen

Jouw examen staat gepland voor

1e Tijdvak: vrijdag 17 mei 2024 van 13:30 tot 15:30

2e Tijdvak: vrijdag 21 mei 2024 van 13:30 tot 15:30


Domeinen (onderwerp/vaardigheid)

Hieronder staat per onderwerp (domein) wat je op je examen moet weten en welke vaardigheden.

Als je dit kent en kunt ben je klaar voor je examen.

NASK1/K/1 Oriëntatie op leren en werken (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 

NASK1/K/2 Basisvaardigheden (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 

NASK1/K/3 Leervaardigheden in het vak natuurkunde (CE)

1 informatie uit bronnenmateriaal selecteren, verwerken en bewerken:
– tabellenboek, gegevensbank, gebruiksaanwijzing en technische handleiding
– tekeningen, schema's, diagrammen en tabellen
– gegevensbestanden, cd-rom en Internet


2 rekenvaardigheden binnen natuurkunde toepassen:
– vooraf uitkomsten schatten bij het meten en rekenen en achteraf uitkomsten beoordelen
– zakrekenmachine gebruiken voor optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en de functietoetsen
gebruiken voor omgekeerde, kwadraat en wortel
– rekenregels gebruiken
– werken met positieve en negatieve machten van tien, inclusief het werken met voorvoegsels
– verhoudingstabellen gebruiken
– percentages berekenen
– evenredige, lineaire en omgekeerd evenredige verbanden gebruiken


3 natuurkundige grootheden met symbool en de bijbehorende eenheden met afkorting gebruiken:
– lengte (weg, afstand, arm)
– snelheid
– versnelling
– oppervlakte
– volume
– massa
– dichtheid
– tijd (trillingstijd)
– toonhoogte (frequentie)
– stroomsterkte
– spanning
– weerstand
– vermogen
– kracht
– druk
– rendement
– temperatuur
– geluidssterkte(geluidsniveau)3
– energie
– bewegingsenergie
– zwaarte-energie
– elektrische energie
– veer energie of elastische energie
– arbeid
– moment
– capaciteit

4 natuurkundige apparatuur herkennen en gebruiken:
– krachtmeter/veerunster
– stemvork
– luidspreker
– microfoon
– oscilloscoop
– geluidssterktemeter
– brander
– dompelaar
– thermometer
– meetlint
– maatglas
– stopwatch
– weegschaal
– voedingsapparaat
– schuifweerstand
– stroommeter
– spanningsmeter
– vermogensmeter
– kWh-meter
– multimeter
– transformator


5 de computer gebruiken:
– gebruik maken van meetprogramma’s op de computer, metingen uitvoeren en resultaten verwerken en interpreteren
– gebruik maken van applets en simulatieprogramma’s, deze programma’s bedienen en de resultaten verwerken en interpreteren

6 berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten gebruikmakend van formules:
– de eenheid bij een berekende grootheid aangeven
– afgeleide eenheden herleiden tot eenheden van het SI-eenhedenstelsel
(De formules staan opgesomd bij de verschillende onderwerpen. Andere formules kunnen in een examen geïntroduceerd worden.)

7 veilige en onveilige situaties herkennen bij ontwerpen en onderzoek doen en bij onveilige situaties
suggesties doen voor verbetering

8 de deelstappen van een ontwerpproces uitvoeren:
– een werkplan maken voor het uitvoeren van een ontwerp
– een ontwerp of een deel ervan bouwen
– ontwerpproces en product evalueren, rekening houdende met ontwerpeisen en randvoorwaarden
– voorstellen doen voor verbetering


9 de deelstappen van een onderzoek uitvoeren:
– onderzoek voorbereiden:
– een onderzoeksvraag kiezen
– benodigdheden selecteren
– alternatieven bedenken voor de uitvoering
– onderzoek uitvoeren:
– een plan opstellen
– werken volgens plan
– waarnemingen verrichten
– gegevens verzamelen
– gegevens grafisch presenteren
– conclusies trekken
– onderzoek afsluiten:
– voorstellen voor verbetering doen
– aanbevelingen voor verder onderzoek doen

Je kunt:

− rekenvaardigheden toepassen
− natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van
formules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten
− natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee
experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren
− de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met
applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken
− een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de
veiligheid

NASK1/K/4 Stoffen en materialen (CE)

1 een verband leggen tussen soorten materialen, hun eigenschappen en praktische toepassingen in het dagelijks leven en bij beroepssituaties:
soorten materialen
– hout
– kunststof
– textiel
– metaal
– steen
– beton
– glas

eigenschappen
– geleiding van warmte
– geleiding van elektriciteit
– geleiding van geluid
– dichtheid
– uitzetting en inkrimping
– verspaanbaarheid
– mogelijkheid tot verbinden en samenstellen
– corrosiebestendigheid                                                                – vervormen

 

praktische toepassingen bij het ontwerpen, bouwen en repareren ten minste van:
– woningen
– apparaten
– meubels
– kleding
– voertuigen

2 uitleggen, waarom een voorwerp zinkt, zweeft of drijft:
– dichtheid


3 stoffen herkennen en onderscheiden aan de hand van ten minste de volgende (stof)eigenschappen:
– fase (vast, vloeibaar of gasvormig) bij normale druk en temperatuur
– kleur
– geur
– oplosbaarheid in water
– kookpunt,
– smeltpunt
– geleiding van elektriciteit
– dichtheid


4 uitleggen welke gevaren het gebruik van bepaalde stoffen met zich meebrengt, hoe deze gevaren worden aangegeven en hoe deze gevaren zijn tegen te gaan:
– gebruik van veiligheidskaarten
– voorzorgsmaatregelen nemen:
– beschermingsbril
– labjas
– plastic handschoenen
– gifwijzer
– pictogrammen:
– schadelijk of irriterend
– explosief
– bijtend
– ontvlambaar
– giftig
– niet mengen
– brandbevorderend


5 uitleggen hoe bij de keuze van stoffen en materialen rekening kan worden gehouden met effecten voor het milieu:
– grondstoffen
– productie
– transport
– recycling
– afvalverwerking


6 uitleggen wat de gevolgen zijn voor het milieu van het gebruik van grondstoffen en de productie van afvalstoffen:
– bodem-, lucht- en waterverontreiniging
– lozing en verwerking
– uitputting van natuurlijke bronnen
– duurzaamheid


7 manieren noemen om verantwoord met afval om te gaan:
– scheiden en hergebruik:
  – glas
  – batterijen
  – kleding
  – papier
  – gft
  – kca
  – composteren
– storten
– verbranden


8 ten minste de volgende processen uit het dagelijkse leven herkennen als een natuurkundig proces of een chemische reactie

natuurkundig proces

– faseovergangen

chemische reactie

– voedselbereiding
– roesten
– verbranding
– uitharden van beton
– lijmen
– carbid

Je kunt:

− soorten materialen en hun stofeigenschappen
herkennen en toepassen
− gevaren van stoffen en effecten van chemische en
natuurkundige processen voor de mens en het milieu
herkennen, en maatregelen nemen om ongewenste
effecten hiervan te vermijden door veilig te werken en
verantwoord met afvalstoffen om te gaan
− zinken-zweven-drijven toepassen met behulp van
dichtheid. 

NASK1/K/5 Elektrische energie (CE)

1 in elektrische schakelingen de onderdelen naar aard en functie onderscheiden en de symbolen ervan herkennen:
schakelingen ten minste de volgende:
– huisinstallatie
– elektrisch circuit van
voertuigen
– spanningsbron en
‘aarde’
– verbindingsdraden

componenten
– weerstand
– NTC, LDR, LED en diode
– schakelaar
– drukschakelaar
– reedcontact
– relais
– transistor als schakelaar met basis, emitter en collector
– condensator
– actuator, zoals motor of lamp
– transformator

meetinstrumenten
– spanningsmeter
– stroommeter
– multimeter
– kWh-meter
– vermogensmeter

2 het principe van een gesloten stroomkring toepassen in serie- en parallelschakelingen


3 uitleggen hoe een stroomkring beveiligd kan worden en op welke principes de beveiliging berust:
– hoofdzekering
– groepzekering
– aardlekschakelaar
– randaarde
– 'dubbele' isolatie


4 het onderscheid uitleggen tussen geleiders en isolatoren in praktische toepassingen


5 schema’s van schakelingen gebruiken, interpreteren en aanpassen, en de werking van de componenten verklaren, van ten minste:
– inbrekersalarm
– automatische deurbediening
– elektronische temperatuursensor
– schemerschakeling
– dimmer
– discolichten


6 in serieschakelingen en in parallelschakelingen een relatie leggen tussen spanning en stroom en hiermee berekeningen uitvoeren


7 de gebruikstijd van een batterij/accu bepalen aan de hand van de capaciteit


8 het vermogen van apparaten, het totale vermogen en het energieverbruik berekenen in serieschakelingen en  parallelschakelingen


9 het totale energiegebruik van elektrische apparaten meten met een kWh-meter en energiekosten berekenen:
– kWh
– joule

10 een beargumenteerde keuze maken uit gelijksoortige elektrische apparaten ten aanzien van energiegebruik, rendement, capaciteit, levensduur en veiligheid, ten minste:
– spaarlampen
– leds
– accu’s
– huishoudelijke apparaten
– moderne apparaten (bv dvd-speler, LCD-schermen, smartphone)


11 basisbegrippen van magnetisme kennen en toepassen bij de dynamo, transformator, luidspreker, relais en reedcontact:
– permanente magneet
– noord en zuidpool
– aantrekking en afstoting tussen polen
– veldlijnen
– spoel
– weekijzeren kern
– elektromagneet


12 de onderdelen van een dynamo benoemen en beschrijven hoe hiermee elektrische energie kan worden opgewekt 


13 de onderdelen van een transformator benoemen, hiermee de werking van de transformator uitleggen en toepassingen geven:
– primaire en secundaire kring
– transformatie van spanning
– overdracht van vermogen / ideale transformator
– toepassingen ten minste:
– adapter
– halogeenverlichting
– elektriciteitstransport

Je kunt:

− elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en
hierover berekeningen uitvoeren
− beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen
en keuzes tussen verschillende apparaten
beargumenteren
− de werking van de dynamo en de transformator
beschrijven met begrippen uit het magnetisme. 

formules:
R = U / I
P = U · I
Eel = Pel · t
Serie:Rv = R1 + R2 +
Parallel:1 / Rv = 1 / R1 + 1 / R2 +
Totale weerstand: Rt = Rv (= vervangingsweerstand)
nP / nS = UP / US
C = I . t

NASK1/K/6 Verbranden en verwarmen (CE)

1 De volgende warmtebronnen en meetinstrumenten herkennen:
warmtebronnen 
– kachel, c.v.
– fornuis
– vloerverwarming
– gasbrander
– elektrische kookplaat
– elektrische dompelaar

meetinstrumenten
– thermometer
– temperatuursensor


2 uitleggen hoe transport van warmte plaatsvindt:
– geleiding
– stroming
– straling


3 temperatuur, tijd en warmte op de volgende manier gebruiken:
– het verband tussen temperatuur en tijd en warmte toepassen
– absolute nulpunt
– omrekenen van waarden tussen temperatuurschalen Kelvin en Celsius


4 de werking van warmte-isolerende maatregelen uitleggen, bij ten minste:
– isoleerkan
– spouwmuurisolatie
– bouwmaterialen
– radiatorfolie
– handgrepen van pannen
– dubbele beglazing


5 de milieu- en gezondheidseffecten noemen die kunnen optreden als gevolg van energiegebruik, tenminste:
– luchtverontreiniging
– zure regen
– broeikaseffect
– thermische verontreiniging
– irritatie en beschadiging van slijmvliezen, ogen en luchtwegen


6 toelichten dat de ene vorm van energie omgezet kan worden in een andere vorm van energie en hierover berekeningen uitvoeren:
– bewegings-, zwaarte-, warmte-, elektrische, chemische, stralings-, kern-,
– veer-, of elastische energie
– verbrandingswarmte
– wet van behoud van energie
– rendement

Je kunt:

− het proces van verbranden beschrijven en de
verspreiding en isolatie van warmte verklaren en
toepassen
− de manieren van opwekking van elektrische energie en
de gevolgen ervan beschrijven
− het omzetten van energie van de ene vorm in de andere
vorm beschrijven en hierover berekeningen uitvoeren

formules:
T(K) = t (˚C) + 273
Ebew = ½ m · v2
Ez = m · g · h
Eel = Pel · t
η = Eaf / Eop = Paf / Pop

NASK1/K/7 Licht en beeld (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 

NASK1/K/8 Geluid (CE)

1 de begrippen toepassen die een geluid kenmerken:
– toonhoogte
– frequentie
– amplitude
– geluidssterkte


2 uitleggen dat geluid ontstaat bij een geluidsbron, zich uitbreidt door een tussenstof en waargenomen kan worden door een ontvanger, hiervan toepassingen herkennen en berekeningen met de
geluidssnelheid in verschillende tussenstoffen uitvoeren:
geluidsbronnen  
– stemvork
– muziekinstrumenten
– luidspreker
– oortelefoon
– machines
– verkeer

geluidsontvanger
– oor
– microfoon
– geluidsensor

toepassingen ten minste:
– echo
– echolood
– echoscopie


3 de verandering van de toonhoogte/frequentie van een snaarinstrument in verband brengen met de lengte en de spankracht in de snaar (kwalitatief)


4 aan de hand van een oscilloscoopbeeld of een beeld gemaakt met de computer de trillingstijd van een toon bepalen en de frequentie berekenen


5 metingen van geluidssterkte interpreteren en bronnen van geluidshinder aangeven:
– geluidssterktemeter
– computermetingen
– dB(A)-schaal
– gehoorgrenzen (tussen 20 Hz en 20 kHz)


6 de mogelijke gezondheidsschade in verband brengen met de geluidssterkte en tijdsduur en suggesties doen voor maatregelen tegen geluidshinder, ten minste:
– geluidswal
– geluidsscherm
– gehoorbeschermers
– dubbele beglazing


7 de onderdelen van een luidspreker benoemen en hiermee de werking van de luidspreker uitleggen

Je kunt:

De kandidaat kan:
− de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen
van geluidshinder en de beperking van geluidshinder
toelichten
− geluid vastleggen met oscilloscoop of computer en
daaruit de frequentie bepalen
− de werking van een luidspreker uitleggen.

formules:
s = vgeluid · t
f = 1 / T

NASK1/K/9 Kracht en veiligheid (CE)

1 verschillende soorten krachten herkennen en hiervan de werking en toepassing beschrijven:
– spierkracht
– veerkracht
– spankracht
– zwaartekracht
– wrijvingskracht
– magnetische kracht
– elektrische kracht
– grootte, en richting en aangrijpingspunt
– vectorvoorstelling
– kracht meten met veerunster of krachtsensor


2 bij hefbomen in evenwicht uitleggen op welke manier met een kleine kracht een grote kracht wordt uitgeoefend en omgekeerd en hiervan voorbeelden kennen, ten minste:
– tang
– klauwhamer
– breekijzer
– steekwagen
– steek/ringsleutel
– momentsleutel


3 uitleggen hoe bij een katrol de richting van de kracht omgekeerd kan worden en de grootte van de kracht verminderd kan worden:
– vaste katrol
– losse katrol
– takels


4 de gemiddelde snelheid berekenen van een bewegend voorwerp
5 (s, t)- en (v, t)-diagrammen van bewegingen maken en in samenhang interpreteren:
– bewegingen met constante snelheid
– eenparig versnelde bewegingen
– eenparig vertraagde bewegingen
– andere bewegingen


6 de krachten herkennen en samenstellen die een rol spelen bij een beweging langs een rechte weg:
– aandrijfkracht en remkracht
– tegenwerkende krachten:
– luchtwrijving
– rolwrijving
– nettokracht


7 verschijnselen van traagheid verklaren, die zich bij snelheidsverandering voordoen


8 de werking van constructies uitleggen die de nadelige effecten van een botsing verminderen, ten minste:
– veiligheidsgordel
– veiligheidshelm
– kreukelzone
– hoofdsteun
– kooiconstructie
– airbag


9 omstandigheden herkennen die invloed hebben op de veiligheid tijdens het rijden, ten minste:
– reactietijd
– rijsnelheid
– staat van de banden en van het wegdek
– weersomstandigheden


10 de druk van een voorwerp berekenen, bij ten minste:
– veiligheidsgordel
– veiligheidshelm
– rijplaten
– rupsband
– tractorbanden
– mes
– punaise

Je kunt:

− de werking van verschillende soorten krachten en de
druk van een voorwerp op de ondergrond berekenen
en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet
toepassen
− bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren,
krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid
berekenen
− veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en
toepassen en verschijnselen van traagheid verklaren

formules:
vgem = s / t
stopafstand = reactieafstand + remweg
p = F / A
Fz = m · g

NASK1/K/10 Bouw van de materie (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 

NASK1/K/11 Straling en stralingsbescherming (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 

NASK1/K/12 Het weer (SE)

Dit onderwerp heb je in de 3e of 4e klas afgerond als SE (schoolexamen). Het is tof als deze kennis nog hebt, maar het wordt niet op je CE gevraagd. 


Toegestane hulpmiddelen

Hulpmiddelen zijn toegestaan, maar niet alles en soms onder voorwaarden. Check het hieronder

Deze hulpmiddelen toegestaan op je Centraal Examen (CE)

Materialen

- schrijfmateriaal incl. millimeterpapier
- tekenpotlood
- blauw en rood kleurpotlood
- liniaal met millimeterverdeling
- passer
- nietmachine (zie OVERIGE)
- geometrische driehoek
- vlakgum

 

Tabellenboek

Een onbeschreven BINAS is toegestaan

Rekenmachine

Bij wiskunde kb en gl/tl, nask 1 kb en gl/tl, nask 2 gl/tl en bij het cspe gl voor het profielvak bouwen,
wonen en interieur moet de rekenmachine naast de grondbewerkingen beschikken over toetsen
voor pi, x tot de ye macht, x kwadraat, 1/x en sin/cos/tan in graden (en hun inversen).

Bij alle overige vakken zijn de grondbewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen voldoende.

Meer mogelijkheden mag, maar de rekenmachine mag niet één of meer van de volgende
eigenschappen hebben:
– lichtnetaansluiting tijdens het examen,
– opladen tijdens het examen,
– schrijfrol, alarm of ander geluid,
– alfanumeriek (letters op scherm)*,
– grafieken weergeven,
– zend- of ontvanginstallatie.


Meerregeligheid van het scherm wordt in de criteria niet genoemd. Dit houdt in dat een meerregelige
machine niet verboden is als hij aan de overige criteria voldoet. Wel is het zo dat de meerregelige
machines mogelijkheden hebben die bij de eenregelige machine ontbreken, zoals het maken van tabellen.

Woordenboek

Nederlands-thuistaal en/of thuistaal-Nederlands

 

OVERIGE NIET GENOEMDE HULPMIDDELEN
Naast het basispakket hulpmiddelen kan de kandidaat enkele hulpmiddelen meenemen die niet genoemd zijn, die op geen enkele wijze een relatie hebben met de exameneisen maar die wel functioneel (kunnen) zijn, zoals een nietmachine, puntenslijper, een markeerstift of een leesliniaal (loep). Hulpmiddelen die een relatie kunnen hebben met exameneisen, zijn niet toegestaan. Daaronder vallen onder andere tekensjablonen en spellingkaarten.


Handige bestanden

Hieronder vind je documenten die handig als voorbereiding op je examen, een digitale BINAS en de samenvatting.

 

Digitale Binas Voor KB/GL/TL (PDF)
Syllabus 2024 (PDF)
SAMENVATTING EXAMENSTOF KB/TL (PDF)
Informatiewijzer CvTE (PDF)

Examens oefenen

Op het examenweekend oefenen we natuurlijk ook met oude examens, maar hier kun je ook zelf oefenen. Je kunt het ook zelf nakijken. Nakijken is belangrijk om te weten of je iets weet of nog niet helemaal

Link: Oefenen op papier (kies een jaar)

Online: Niet beschikbaar